Propaganda tijdens de Irakoorlog
Comical Ali versus Bush
De berichtgeving over de oorlog in Irak was doorspekt met precisiebombardementen, gevechtshelikopters en kruisraketten. Maar er was nog een ander, minstens zo krachtig wapen dat tijdens deze oorlog in de strijd werd geworpen, namelijk propaganda. We zagen een merkwaardige confrontatie tussen de methoden van deze en vorige eeuw.
De Iraakse autoriteiten maakten tijdens dit conflict gebruik van een propagandasysteem dat we nog kennen van het begin van de vorige eeuw. Het basisprincipe hiervan is dat je het eigen volk moet overtuigen dat alles goed gaat en dat de overwinningen elkaar opstapelen, terwijl je de vijand tracht te demotiveren door het te hebben over schaamtevolle verliezen. Op die manier blijft de steun van het volk gegarandeerd, want het is van oudsher een gegeven dat een volk zich schaart achter de winnende partij.
De Iraakse strategie
De bedoeling van deze strategie is simpel: motiveer het volk en demotiveer de vijand. Dit principe werd voor het eerst in een groot conflict toegepast door de Nazi’s. Met zijn machtige propagandamachine overtuigde minister van propaganda Goebels de burgers in de bezette gebieden dat de Duitsers veldslag na veldslag wonnen en dat de geallieerden grote verliezen leden. Het enige waar men over moest waken was dat er geen communicatiekanalen aanwezig waren die het tegendeel (de realiteit) konden bewijzen. Daarom geldt tijdens een oorlog meer dan anders: “Wie de media in handen heeft, heeft de macht in handen of kan die op zijn minst vasthouden”.
In Irak speelde zich hetzelfde scenario af. Het bestuur had daar alle media in handen, andere kanalen werden simpelweg verboden. Op die manier bleef de inhoud van de propaganda enigszins geloofwaardig. Probleem was echter dat in dit geval niet enkel de eigen bevolking moest overtuigd worden. Naar de wereldgemeenschap werkte deze vorm van communicatie contraproductief. Terwijl de juiste propaganda ondersteuning had kunnen creëren bij de wereldgemeenschap in het algemeen en de Arabische wereld in het bijzonder.
Comical Ali en de Iraakse zwakte
Irak had er geen rekening mee gehouden dat hun strategie in een wereld met snelle, allesziende media tot hilarische communicatiecontrasten zou leiden. Dit werd treffend geïllustreerd door de Iraakse woordvoerder.
Tijdens deze oorlog maakten we kennis met Mohammed al-Sahaf, de Iraakse minister van informatie, door iedereen al snel smalend “Comical Ali” genoemd omwille van zijn hilarische persmededelingen. Hij paste de klassieke definitie van propaganda wel zeer letterlijk toe door op een bepaald moment te beweren dat de Amerikanen zich nog honderden kilometers buiten Bagdad bevonden terwijl vlakbij de eerste Amerikaanse tanks de paleizen van Saddam binnenreden.
De anekdote geeft duidelijk de zwakte weer van de Iraakse propaganda. In een utopische wereld waar de Irakezen de volledige controle over de media hadden, zou deze boodschap geloofwaardig overgekomen zijn. Echter, de vijand beschikte over communicatiemiddelen die deze overdrijvingen en onwaarheden moeiteloos konden ontkrachten. Irak was geen partij voor de communicatiemiddelen van de VS. De Amerikaanse strijdkrachten werkten bovendien met het concept van “embedded journalists”, journalisten die mee mochten met de oprukkende troepen. Deze beschermde journalisten konden op het slagveld getuige zijn van de vooruitgang van de Amerikaanse troepen en tegelijkertijd de propaganda van “Comical Ali” en de Iraakse autoriteiten ontkrachten. Ze bleken doorheen deze oorlog een efficiënt communicatiemiddel. Bovendien kon de VS op deze manier de voor haar negatieve berichtgeving gemakkelijk muilkorven.
De Amerikaanse strategie
Aan de hand van hun “journalism on the battlefield”- principe konden de Amerikanen en hun bondgenoten de wereld de perceptie voorschotelen dat zij een propere oorlog voerden, met zo weinig mogelijk burgerslachtoffers. De communicatiediensten van het leger waakten erover dat de strijdkrachten amper negatief in de media kwamen. Desnoods moest de waarheid maar verdraaid worden. Indien er per ongeluk een raket terecht kwam in een woonwijk werd dit ofwel bestempeld als een onopzettelijke blunder of zelfs als een bewuste actie van de vijand om de Amerikanen in een slecht daglicht te stellen. Deze techniek is van alle tijden. Anne Morelli, auteur van het boek “Elementaire principes van oorlogspropaganda” verwoordt in haar boek perfect deze strategie: “de vijand begaat opzettelijke wreedheden, wij onopzettelijke blunders”.
Een interessant fenomeen hierbij zijn de satellietbeelden van bombardementen. Wij zien steeds beelden die de trefzekerheid van het militair apparaat moeten illustreren. Dit impliceert echter dat dezelfde soort beelden moet bestaan van mislukte bombardementen, op woonwijken bijvoorbeeld. Vanzelfsprekend stellen de VS enkel die beelden aan de pers ter beschikking, die hun missie en doelstelling ondersteunden. Het is dan ook op basis van deze georchestreerde mediamachine dat de Amerikanen de propagandaveldslag overtuigend wonnen.
Een superieure natie
Toch hebben de Amerikanen gezondigd tegen twee essentiële propagandawetten. Ze zullen daarvoor in de toekomst ongetwijfeld nog een prijs moeten betalen. Een eerste fout heeft betrekking op de doelgroep van de propaganda. De Amerikanen hebben zich in deze oorlog enkel gericht op de Amerikaanse bevolking, zonder rekening te houden met de publieke opinie op het Europese vasteland en de rest van de wereld. Deze beslissing werd ingegeven door de traumatische ervaring die Bush senior in de vorige golfoorlog had en die hem deels zijn herverkiezing heeft gekost. De omgeving van de huidige president wilde niet dezelfde inschattingsfout maken en richtte zich daarom nagenoeg enkel op het eigen binnenlands publiek.
Daarom sloot de retoriek en de benadering van de oorlogsmedia bijna naadloos aan op die van een verkiezingscampagne. De propaganda maakte extreem gebruik van patriottisme en verheerlijkte de Amerikaanse symboliek tot in het absurde. Het verleidde Bush op een bepaald ogenblik zelfs tot de wel zeer gewaagde uitspraak dat “de Amerikanen op alle vlakken superieur zijn en van God een missie hebben gekregen om het Kwaad te bestrijden”. Wat de rest van de wereld dacht was onbelangrijk. De landen die tegen de oorlog waren, werden afgedaan als verraders, onverantwoordelijk, of als dwerglanden die afhankelijk waren van de VS bij de bevrijding. Dat had tot gevolg dat er op het Europese vasteland massale oppositie ontstond tegen de oorlog in Irak. Dit liet de Amerikanen koud, aangezien de kiezers zich in de Verenigde Staten bevonden. Maar de immense opstoot van anti-Amerikaanse gevoelens was wel duidelijk. Moet er nog vermeld worden dat de houding van de Amerikanen en hun propaganda in dit conflict nog jaren zal nazindderen in de internationale politiek?
Bezetter of bevrijder?
De Amerikanen hebben in hun propagandaoorlog nog een tweede fout gemaakt. Het offensief in Bagdad werd slecht geregisseerd. Het meest in het oog springende voorbeeld daarvan is het beeld van de Amerikaanse marinier Edward Chin die bij de sloop van een standbeeld van Saddam de “stars en stripes” rond het hoofd van het beeld drapeerde. Op dat eigenste moment verdween het beeld van de bevrijder en verscheen bij de Iraakse bevolking en in rest van de Arabische wereld het beeld van de VS als bezetter. Een blunder van formaat die uiteindelijk wel werd opgemerkt door de legerleiding, want Chin kreeg al snel het bevel van zijn oversten om de Amerikaanse vlag naar beneden te halen en ze te vervangen door een Iraakse. Te laat echter, want de beelden waren al de wereld rond. Het kwaad was geschied.
Een reeks van gelijkaardige incidenten heeft ervoor gezorgd dat de Amerikaanse strijdkrachten als een bezettingsmacht werden beschouwd, zowel door de Irakezen en de Arabische wereld als door de publieke opinie in de rest van de wereld. De vijandige houding van de Iraakse bevolking tegenover de Amerikaanse troepen kan dan ook voor een groot deel verklaard worden door hun vrees dat de ene bezetter gewoon vervangen wordt door een andere. De Amerikaanse propaganda gaf hierop tegengas door massaal beelden te verspreiden over het uitdelen van voedsel, een Amerikaanse marinierster die gered werd dankzij de hulp van een Irakees.
Welke lessen kan men trekken?
Maar vooral Irak heeft voor een totaal verkeerde strategie gekozen. In een wereldwijd gemediatiseerde omgeving koos Irak voor propagandaconcepten uit het begin van vorige eeuw. Vanuit militair oogpunt wisten ze dat de Verenigde Staten superieur waren. Tegen de hoogtechnologische wapens konden ze, met hun verouderd wapenarsenaal, niets beginnen. Ze wilden deze toestand dan ook compenseren door verbaal scherp van zich af te bijten en zo de illusie te creëren dat ze de Amerikaanse inval zouden afslaan.
Nochtans had Irak beter net deze ongelijke verhouding gebruikt in haar communicatie door te wijzen op hun militaire minoriteit en de zware menselijke burgertol. Met meer nadruk op hun slachtofferrol te leggen, had Irak meer sympathie en medeleven bij de publieke opinie kunnen kweken, ook in de Verenigde Staten. Denk maar aan de beelden van verbrande kinderen na een napalmaanval van Amerikaanse gevechtsvliegtuigen in Vietnam. Die hebben hun effect op de Amerikaanse publieke opinie ook niet gemist. Een verslag van alle burgerslachtoffers en bommen die op huizen terecht gekomen waren, had meer effect gehad dan de zegebulletins van Mohammed al-Sahaf.
De oorlog in Irak heeft eens te meer aangetoond dat we steeds meer te maken krijgen met een wereld met twee snelheden. De verhouding van het aantal Amerikaanse slachtoffers tegenover het aantal aan Iraakse zijde liegt er niet om. Feit is dat deze scheeftrekking zich ook op communicatief vlak heeft gemanifesteerd.

In het stakeholdertijdperk is een klant niet zomaar een klant. Dat ervoer ING toen ze de sterk gecontesteerde maatregel lanceerde dat 60-plussers minder geld konden afhalen aan de bankautomaat. De reacties over betutteling en gebrek aan respect waren niet te stuiten.